De oorkwal

méduse aurelia auritaGewone naam: Oorkwal

Engelse naam: Jellyfish Aurelia

Latijnse naam: Aurelia aurita

Verspreiding van de oorkwalVerspreidingsgebied: deze kwal komt heel veel voor in alle oceanen, behalve in de zeer koude wateren van de Noord- en Zuidpool.

Habitat: de Aurelia aurita zwemt vaak aan het wateroppervlak, op volle zee of dichtbij de kust. Ze houdt van vervuild water in havens en zoutwater waar de temperatuur hoger is. De planula (gecilieerde larve) hecht zich vast aan de substraten van havens en industriële zones om in een scyphistoma (poliep die later een kwal wordt) te veranderen.

Omvang: de Aurelia aurita is een kwal die een klokvormig scherm heeft met een diameter van 40 cm.

Levensduur: zij leeft niet langer dan een jaar.

Voedsel: de Aurelia aurita voedt zich met jonge haringen, een groep kwallen kan een hele school uitroeien. De oorkwal eet vooral kleine schaaldieren (roeipootkreeftjes ofwel 90% van het plankton), maar zij is zeer opportunistisch en eet alles wat zij vindt, waaronder ook andere kwallen. De Aurelia verslinden zelfs hun eigen larven. Om te kunnen groeien en zich te kunnen voortplanten, moet een kwal meerdere keren per dag het equivalent van haar lichaamsgewicht eten.

Voortbewegingwijze: hoewel kwallen meestal met de stromen meedrijven, beschikken ze over een soort straalaandrijving. Ze zwemmen door hun scherm samen te trekken om het water eruit te persen. Vervolgens ontspannen de spieren en gaat het scherm weer open. De kwal Aurelia aurita drijft, zwemt, maar kan niet tegen de zeestromingen in. Zij behoort hierdoor tot het plankton.

Biologie: de kleur van de Aurelia aurita is doorschijnend blauw/wit. Zij bestaat uit water (meestal meer dan 95%). Zij heeft een verteringsstelsel met een mond tussen de tentakels, lichtgevoelige organen, spieren en zenuwen. De netelcellen zijn net harpoenen in het klein en verbonden met een gifreservoir. In het midden van het scherm bevinden zich 4 meer donkere zones rondom de maag, een soort klavertjevier: deze zones zijn paarsachtig bij het mannetje en witachtig bij het vrouwtje.

Voortplanting: haar levenscyclus is complex en kent een vastzittend stadium - minuscule kwalpoliepjes. Het poliepje leeft op de bodem, vastgehecht aan een steen en vermeerdert zich door inkepingen om een kolonie te vormen. Bij de seizoenswisseling verandert het poliepje van gedaante en raakt het schijfje met tentakels los om een minuscule larve te worden die zal uitgroeien tot de kwal die we kennen. De kwallen kunnen zowel mannetjes als vrouwtjes zijn en bevruchten elkaar. Er komt dan weer een larve uit die neerdaalt op de bodem en verandert in een nieuwe poliep. Zo is de cirkel rond!

Roofdieren: schildpadden, stormvogels, zeemeeuwen, vissen en kwallen.

Stemmen